Haas
Lepus europaeus |
|
 |
|
| Data |
lichaamslengte: 50 - 70 cm
oorlengte: 7 - 11 cm
gewicht: 3 - 7 kg |
|
| Biotoop |
Deze oorspronkelijke bewoner van steppen, heeft een voorkeur
voor kleinschalige gras- en bouwlanden; in dichtbevolkte gebieden komt de
soort weinig voor. Overdag kiezen ze hun rustplaats, het 'leger', in bosranden,
ruigten of onder heggen. Ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde
akker vind je deze hazenlegers. Vanuit de verte lijkt hij dan op een aardkluit.
|
|
| Voedsel |
Hazen voeden zich met grassen, kruiden, landbouwproducten,
wortels, knoppen en schors. Veel van hun voedselplanten worden met bestrijdingsmiddelen
vernietigd. Soms eten ze hun eigen, zachte uitwerpselen. |
|
| Territorium |
Indien er geen nijpend voedseltekort is, leven hazen plaatsgebonden.
Het woongebied is veelal minder dan 1 km in middellijn groot. Hazen zijn
niet territoriaal en de woongebieden overlappen elkaar. Voor zover bekend
vormen hazen geen blijvende paarband. Onder de rammen met overlappende woongebieden
is er vaak een rangorde met betrekking tot de seksuele contacten met de
moerhazen. |
|
| Voortplanting |
Vanaf januari tot juli is de haas paarlustig. Onvermoeibaar
huppelt de ram achter de moerhaas aan. Met rivalen levert hij hevige gevechten.
De draagtijd duurt 42 dagen. Heel bijzonder is dat de haas tijdens zwangerschap
opnieuw bevrucht worden (superfoetatie). Meestal bestaat een worp uit 2-3
jongen, die zich elk in een apart, ondiep kuiltje in de bodem schuilhouden.
Tussen eind januari en oktober worden doorgaans zo'n vier nesten geboren.
Een haas kan zo gemiddeld elf jongen per jaar op de wereld zetten.
Een jonge haas komt met een volledig ontwikkelde vacht en open ogen ter
wereld. Jonge hazen hebben wel vaak een witte vlek op de kop. Al na één
of enkele dagen verlaten de jongen de geboorteplek. Ze komen daar elke dag,
drie kwartier na zonsondergang, weer terug. De moeder komt meestal een kwartiertje
later om ze te zogen. Dat doet ze totdat de haasjes ongeveer een maand oud
zijn. |
|
| Gedrag |
De beste tijd om hazen waar te nemen, is 's morgens heel
vroeg of bij het invallen van de schemering. Ze zijn vooral 's nachts actief.
De zintuigen zijn bij de haas uitstekend ontwikkeld. Zijn grote, lange oren
('lepels') en scherpe neus waarschuwing hem onmiddellijk voor elk gevaar.
Vaak zit hij rechtop ('kegel') om de omgeving af te speuren. Zelfs bij het
eten houdt hij zijn kop zelden lange tijd achtereen omlaag. Bij verstoring
kan de haas er met een snelheid van circa 65 km per uur vandoor gaan. Opvallend
aan een vluchtende haas is dat hij ineens 90 graden van richting kan veranderen
(het 'haken slaan'). Hierbij houdt hij de staart omlaag, waardoor zijn donkere
rug goed te zien is. Normaalgezien huppelt hij, waarbij de lange achterpoten
voor de voorpoten worden gezet. Door zijn waakzaamheid en snelheid wordt
een volwassen dier zelden het slachtoffer van rovers zoals buizerds, uilen
en vossen. In de natuur wordt een haas gemiddeld een jaar of 3-4, maar hij
kan wel tweemaal zo oud worden. |
|
| Kenmerken |
De haas heeft krachtige achterpoten en een typische 'starende
blik' in zijn ogen. Van boven gezien is hij geelbruin, aan de onderzijde
grijzig wit. Het wijfje (moer) is iets kleiner dan het mannetje (ram). Wat
uiterlijk betreft lijken hazen en konijnen veel op elkaar. Volwassen hazen
zijn echter forser, hebben grotere poten en langere oren met een zwarte
punt. |
|
| Aantallen |
Behalve in IJsland en Noord-Scandinavië komt de haas
in geheel Europa voor. Belangrijke doodsoorzaken van hazen en konijnen zijn
ziekten zoals myxomatose, VHS en EBHS. De grootste bedreiging van de soort
vormen de moderne landbouwmethoden en onkruidbestrijdingsmiddelen. In de
jaren '70 is het bestand enorm geslonken en het heeft zich sindsdien niet
echt meer hersteld. Via zijn voedsel krijgt hij insecticiden naar binnen
en vele jonge dieren worden het slachtoffer van landbouwmachines, bij voorbeeld
van maaimachines in de hooilanden. |
|
|
|
|
 |
 |