lengte: 90 - 120 mm
staartlengte: 95 - 135 mm
gewicht: 20 - 45 g
Biotoop
De grote bosmuis bewoont vooral het dichtst begroeide gedeelte
van het bos - in het bijzonder oude eiken- en beukenbestanden - terwijl
de gewone bosmuis zich hoofdzakelijk op de open plekken ophoudt.
Voedsel
Net als de bosmuis eet de grote bosmuis in hoofdzaak zaden
en vruchten, zoals eikels, hazelnoten en bramen. s Zomers voedt hij zich
ook met insecten, slakken en spinnen. De grote bosmuis eet meer vethoudende
zaden in plaats van zetmeel bevattende zaden dan de gewone bosmuis.
Voortplanting
De met gras en bladeren gevoerde nestkamer bevindt zich
ondergronds. De grote bosmuis is een goede moeder. Te ver van het nest afgedwaalde
jongen worden erin teruggebracht. Een worp bestaat uit een vijftal jongen,
die na circa 18 dagen het nest verlaten. De voortplanting komt grotendeels
overeen met die van de bosmuis.
Gedrag
Ook wat zijn gedrag betreft lijkt de grote bosmuis sprekend
op zijn veel algemenere verwant. Beide soorten zijn echte nachtdieren met
grote ogen en oren. Daarmee moeten ze in de duisternis het zwakste geluidje
en de geringste beweging kunnen waarnemen die op gevaar zouden kunnen duiden.
Grote bosmuizen zijn uitstekende klimmers, die hun voedsel soms op 10 m
hoogte van de takken halen. Ze worden circa twee jaar oud, wat tamelijk
oud is voor muizen.
Kenmerken
De grote bosmuis ziet eruit als een grote, zandkleurige bosmuis
Behalve door zijn groter formaat onderscheidt deze soort zich van zijn neefje
door zijn gele halsband (hij wordt soms 'geelhalsbosmuis' genoemd) en doordat
zijn vacht op de flanken meer oranje van tint is.
Aantallen
De grote bosmuis is in de meeste gebieden bepaald zeldzaam
te noemen. Soms kan hij lokaal steeds algemener worden om dan om onverklaarbare
redenen enkele jaren later volkomen te verdwijnen.