Das Meles meles |
|
 |
|
| Data |
lengte: 60 - 80 cm
staart: 15 - 25 cm
gewicht: 9- 12 kg
leeftijd: zelden ouder dan 15 jaar |
|
| Biotoop |
Dassen houden van een gevarieerd landschap. Ze vertoeven
meestal langs bosranden, in kleine bosjes of in houtwallen in gebieden met
een niet te intensieve landbouw en met behoorlijke stukken weiland, akkers,
boomgaarden en heggen. De das heeft een voorkeur voor gebieden met hellingen.
Dassen worden soms ook in steenachtige gebieden met kliffen of in steengroeven
gevonden. Ze bewonen uitgestrekte burchten, die ze met hun brede, krachtige
voorpoten zelf graven. Bij de burcht groeien door de rijkbemeste grond dikwijls
brandnetels en vlier. De dassen zaaien laatstgenoemde zelf uit door het
eten van bessen. Bij de ingang ligt een hoop uitgegraven en in de loop van
de jaren vast aangestampte grond. Ook ligt er oud nestmateriaal. |
|
| Voedsel |
De das is een echte alleseter die leeft van zeer gevarieerd,
voornamelijk zacht en klein voedsel. Regenwormen vormen een belangrijk deel
van het voedsel, maar verder eet hij veel andere soorten wormen, insecten
(kevers en hun larven), slakken, amfibiëen (kikkers) en kleine zoogdieren
(jonge konijnen, muizen, mollen) en zelfs egels en wespen. De das eet ook
veel plantaardig voedsel, met name (afgevallen) appels, knollen, eikels,
bessen, gras, paddestoelen maïs en haver.
In sommige landen, zoals Engeland, zijn dassen soms zo tam dat ze hun kost
wel eens bij de vuilnisbak durven opscharrelen. |
|
| Territorium |
Een dassengemeenschap telt gewoonlijk een aantal volwassen
rekels en moertjes, en één of twee worpen - in totaal maximaal
15 dieren. Ze bewonen een 'burcht' of 'bouw', die zich bij voorkeur in een
helling of onder overstekende rotsen in een bos bevindt. Een grote burcht
kan meer dan 40 ingangen hebben en al tientallen jaren door opeenvolgende
generaties worden gebruikt. Het complex bestaat uit een netwerk van pijpen
en kamers, die in etages boven elkaar liggen. Zo bestaan er vluchtpijpen,
luchtverversingspijpen en toegangspijpen (doorsnede van circa 30 cm). De
eigenlijke woning of 'ketel' is gevoerd met stro, dorre bladeren, varens
en ander plantenmateriaal. De das klemt dit materiaal tussen zijn voorpoten
en kin, en schuifelt het achterwaarts naar de ingang van de burcht. Het
door de das aangevoerde bekledingsmateriaal wordt geregeld buiten de burcht
gelucht en eventueel vervangen. In de buurt van de burcht bevindt zich gewoonlijk
minstens één latrine - een door de dassen kaal gekrabd gebied
van enkele vierkante meters, met ondiepe putjes waarin de mest wordt gedeponeerd.
De burcht, voedselgronden en latrines zijn door herkenbare, vaste wissels
met elkaar verbonden. Stevige, zwart-met-witte haren aan prikkeldraad duiden
bijvoorbeeld op de ligging van een dassenwissel. De groep verzamelt zijn
voedsel binnen het gevestigde territorium, dat tegen buitenstaanders wordt
verdedigd. Dit gebied kan 40 ha groot zijn. Dassen die dezelfde burcht bewonen
'stempelen' elkaar door geurstoffen uit klieren aan het achterlijf aan elkaars
vacht te smeren. |
|
| Voortplanting |
De paar- of ranstijd valt in de zomer. De draagtijd bedraagt
een maand of zeven, maar de bevruchte eicel nestelt zich pas in december
in de baarmoeder. Circa acht weken later, in februari-maart, worden de jongen
geboren. De jongen komen in een gevoerde kraamkamer ter wereld. Een worp
bestaat uit twee tot vier, maar meestal uit drie, jongen. Ze zijn in het
begin met zachte, grijswitte haren bedekt. De ogen openen zich na ongeveer
vijf weken en na twaalf weken worden de jongen gespeend. In de eerste 6-8
weken van hun leven blijven de jongen ondergronds; daarna gaan ze voorzichtig
de wereld boven verkennen. Als ze de burcht uitgaan komt de moeder eerst
de omgeving met gesnuffel inspecteren. Dan gaat ze terug om haar jongen
op te halen. In het begin blijven ze maar kort buiten en schieten ze bij
het minste teken van onraad terug in de veilige burcht. Na een week worden
ze wat moediger en beginnen hun omgeving te onderzoeken en ruwe en woeste
spelletjes met elkaar te spelen. Later worden ze door de moeder mee genomen
en leren zelf hun eten te zoeken. Sommige jonge dieren blijven in de familiegroep,
maar andere maken vaak lange trektochten op zoek naar een nieuw territorium.
|
|
| Gedrag |
Hoewel er in onze streken nog dassen voorkomen, worden ze
zelden door mensen gezien. Het zijn echte nachtdieren, die bovendien bijzonder
schuw en voorzichtig zijn. Dassen komen gewoonlijk een uur na zonsondergang
uit hun burcht in de herfst en de winter. In de zomer komen ze wel vóór
zonsondergang naar buiten, omdat de nachten dan korter zijn. Als er echter
onraad is of er verdachte geluiden of geuren zijn, blijft de das de gehele
nacht in zijn burcht en ook bij heldere maan komt hij vaak niet naar buiten.
Als de das de burcht verlaat snuift hij voortdurend de lucht op om te ruiken
of er onraad is. Dassen gebruiken bij de burcht staande bomen met een ruwe
schors voor het scherpen van hun nagels en het verwijderen van modder van
hun poten. In de herfst leggen dassen een grote vetvoorraad onder de huid
en rond de ingewanden aan, waardoor hun gewicht soms wel met 3 à
5 kg toeneemt. Ze houden geen echte winterslaap, maar hartje winter nemen
hun activiteiten sterk af. |
|
| Kenmerken |
De das lijkt nogal op een kleine beer, met zijn gedrongen
90 cm lange lichaam, zijn korte staart en zijn korte sterke poten met indrukwekkende
klauwen. Op afstand lijkt de vacht van de das grijs, maar elke afzonderlijke
haar is zwart en wit gekleurd. Bij het lijf wit, dan een zwart stuk terwijl
de punt weer wit is. Het haar van de das was vroeger heel gewild om penselen
en scheerkwasten van te maken. In tegenstelling tot de meeste dieren is
de das zwart op de buik en poten. Het opvallendste aan het dier is echter
zijn kop: wit met twee brede zwarte strepen, die van achter de oren bijna
tot op het topje van zijn snuit lopen. Hun kleine oogjes staan in het zwarte
gedeelte en vallen dus nauwelijks op. Er zijn allerlei kleurvarianten waarbij
de lichte delen van zuiver wit tot zandkleurig variëren, terwijl de
donkere delen van zwart tot roodachtig kunnen zijn. Oude dieren worden vaak
heel licht van kleur. |
|
| Aantallen |
Er is in Europa één enkele dassensoort, die
in bijna alle Europese en Aziatische landen, van de poolcirkel tot de Middellandse
Zee en de Himalaya voorkomt. Je vindt dassen overal in dit gebied behalve
in N-Scandinavië, IJsland, Corsica en Sardinië, Sicilië en
Cyprus. In Nederland, België en grote delen van Duitsland en Frankrijk
is de das thans (vrij) zeldzaam; in veel andere landen komt hij nog tamelijk
algemeen voor. Ondanks het feit dat de das tot de beschermde diersoorten
behoort, wordt hij nog geregeld clandestien gevangen en gedood. |
|
|
|
|
 |
 |