Berkenmuis
Sicista betulina |
|
 |
|
| Data |
lengte: 50 - 70 mm
staartlengte: 80 - 105 mm
gewicht: 5 - 12 g |
|
| Biotoop |
In loofbossen en gemengde bossen werd de Berkenmuis op dichtbegroeide,
vochtige, koele plekken aangetroffen. In de Alpen komt hij tot 1800 meter
hoogte in gras en dwergstruiken voor. |
|
| Voedsel |
Hun voedsel bestaat vooral uit insecten, larven, vethoudende
zaden en bessen. Als ze in winterslaap gaan, wegen ze door hun vetreserve
12-13 gram. |
|
| Voortplanting |
De paartijd valt in mei-juni. De daaropvolgende draagtijd
duurt 18 à 24 dagen. Er is jaarlijks slechts één worp,
in juni, van 2 tot 6 jongen. Het duurt 26 dagen voordat hun ogen openen
en na vijf weken zijn ze, bij een gewicht van 5-6 gram, zelfstandig. |
|
| Gedrag |
De berkenmuis klimt handig, maar komt ook op de bodem, waar
hij 's zomers zijn nest van gras en mos woont. In de herfst verdwijnen ze
in een klein holletje in de grond voor een winterslaap van minstens zeven
maanden. Pas in mei verschijnen ze weer. |
|
| Kenmerken |
Over de rug van de Berkenmuis loopt van de schedel tot de
staartwortel een ca. 3 mm brede, zwarte aalstreep. De staart is bijna anderhalf
maal zo lang als het lichaam. |
|
| Aantallen |
De Berkenmuis behoort tot de zeldzaamste zoogdieren in het
beschreven gebied. Hij behoort tot de familie Springmuizen (Zapodidae),
een in Noord-Azië en Amerika verbreide groep met weinig soorten. De
westelijkste 'herauten' van twee hiervan bereiken nog juist Midden-Europa.
De driekleurige muis (Sicista subtilis) is bij het Neusiedlersee in de Duitse
Bondsrepubliek aangetroffen, de Berkenmuis in Oostenrijk, Tsjechoslowakije,
Duitsland en Denemarken. |
|
|
|
|
 |
 |