Winterkoning Troglodytes troglodytes |
|
|
|
| Geluid |
De aanwezigheid van de winterkoning is veelal niet moeilijk vast te stellen
en zeker niet in februari-juli wanneer hij volop zingt. Zijn zang is doordringend
en krachtig. Het klinkt ratelend en bestaat uit circa 5 seconden aangehouden
volle tonen, die bij tussenpozen worden herhaald. Het lijkt in het veld
op de zang van de Roodborst, maar is toch goed herkenbaar door de lange
trillers. |
|
| Grootte |
lengte: 9,5 cm |
|
| Voortplanting |
Het mannetje bouwt een aantal bolvormige nesten van bladeren,
droog gras en mos, met een ingang opzij bovenaan, in heggen, klimop, boomstronken,
schuurtjes of zelfs in oude nesten van andere vogels. Het wijfje kiest er
één uit en voert dit van binnen met veertjes. Gewoonlijk bestaat
het legsel uit 5 à 8 witte eieren, met aan de stompe pool soms zwarte
of roodbruine spikkels. Het wijfje broedt de eieren in 2 weken uit. Het
mannetje helpt het wijfje met het voeren der jongen. |
|
| Voedsel |
Het voedsel bestaat uit insecten en zaden. |
|
| Gedrag |
Hoewel het een druk, energiek vogeltje is, leidt de winterkoning
buiten het broedseizoen een verborgen levenswijze. Vaak ziet men slechts
een glimp van hem, terwijl hij in de begroeiing naar voedsel zoekt. |
|
| Kenmerken |
Na de goudhanen is de winterkoning de kleinste Europese vogel.
Opvallend is zijn korte, opgewipte staart. Het verenkleed is roodachtig
bruin met spikkels. De snelle, rechtlijnige vlucht van de winterkoning is
door de korte, afgeronde vleugels snorrend. Geslachten gelijk. |
|
| Trek |
Standvogel,
maar noordoostelijke broedvogels trekken 's winters naar Midden-Europa. |
|
| Aantallen |
Door zijn geringe grootte heeft de winterkoning vaak meer
van strenge winters te lijden dan andere soorten en in lange vorstperioden
is de sterfte soms groot. Na een periode van milde winters is de populatie
echter wel snel op peil en we mogen hem op het ogenblik tot een van onze
talrijkste broedvogels rekenen. |
|
|
|
|
 |
 |