Vink Fringilla coelebs |
|
|
|
|
De zang of, liever gezegd, het 'slaan' van de vink is een luidruchtige aangelegenheid
en begint langzaam, neemt stadig in snelheid toe en eindigt gewoonlijk in
een weelderige cascade van tonen. De zang varieert in feite van vogel tot
vogel sterk en er zijn zelfs verschillende 'dialecten' te onderscheiden
('Waalse' en 'Vlaamse' vinken). Het gehele lied duurt doorgaans 4 à
5 seconden, maar het wordt vijf- tot tienmaal per minuut herhaald. De alarmroep
is een luid, doordringend 'pink, pink, pink'. |
|
| Grootte |
lengte: 15,5 cm |
|
| Biotoop |
De vink is in de eerste plaats een broedvogel van goed ontwikkelde
loofbossen met veel open plekken en een rijke ondergroei maar daarnaast
is hij overal talrijk waar veel oude bomen staan: bosjes, parken en halfopen
cultuurlandschap |
|
| Voortplanting |
Het broedseizoen begint in april. De vink bouwt in heesters
en boomvorken een keurig, komvormig nest van gras en mos, gevoerd met haar.
Het wijfje legt gewoonlijk 4 à 5 lichtblauwe tot bruinachtig witte
eieren, met vrijwel altijd een stippel- en streeptekening. Ze broedt deze
in 11 à 13 dagen uit. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 12
à 15 dagen uitvliegen. |
|
| Voedsel |
Vinken zijn vaste gasten op voedertafels. Ze kunnen daar
vrij agressief uithalen naar de andere bezoekers. In winterperioden foerageren
vinken vaak samen met andere vinkachtigen, zoals Kepen en Groenlingen op
akkers en weilanden op zoek naar zaden. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje is onmiskenbaar door zijn leiblauwe kruin en
nek, roodbruine rug, wijnrode onderzijde en groenachtige stuit. Het wijfje
is minder bontgekleurd maar heeft dezelfde vleugeltekening. In vlucht zijn
de witte vleugelstreep en schoudervlek karakteristiek. |
|
| Trek |
Scandinavische
vogels trekken massaal, vaak samen met Kepen, eind september-oktober
naar de lage landen en verder zuidwaarts (vrouwtjes verder dan mannetjes)
en keren in maart-april terug. |
|
| Aantallen |
De populatie lijkt in zijn totaliteit toe te nemen, maar plaatselijk
heeft de soort te lijden gehad van de toepassing van bestrijdingsmiddelen
in landbouw en fruitteelt en van het verdwijnen van houtwallen en oude bomen.
|
|
|
|
|
 |
 |