Sneeuwuil
Nyctea scandiaca |
|
|
|
|
|
|
| Grootte |
lengte: 53-68cm - spanwijdte: 128-148cm
1,75 kg (mannetje) - 2,1 kg (vrouwtje) |
|
| Biotoop |
Broedt van mei tot midden september op toendra of hoogvlakten
boven de boomgrens, bij voorkeur met verspreide rotsen en goed uitzicht
in alle richtingen. |
|
| Kenmerken |
Jaagt vooral in de schemering maar ook overdag. Groot. In
bijna alle kleden opvallend wit. Iris geel. Vlucht krachtig. Het adulte
mannetje is sneeuwwit, het vrouwtje is wit met zwarte vlekjes. Voedsel bestaat
vooral uit lemmingen en andere muizen, konijnen en vogels. Nest is een in
de bodem uitgeschraapte kom; in lemmingjaren bekleed met voorraad prooidieren
en met grote legsels. |
|
| Trek |
Nomadische leefwijze, afhankelijk van populatieschommelingen
van prooidieren. Jonge vogels gaan vaak zwerven. Volwassenheid bereiken
ze pas op 2 jarige leeftijd. |
|
| Aantallen |
Voornaamste verspreidingsgebieden van de Sneeuwuil liggen
van IJsland en Scandinavië oostwaarts tot in Oost-Siberië, Alaska,
Canada en Groenland. Het bestand is erg gevoelig voor schommelingen in het
voedselbestand. Dwaalgast in Nederland en België met meer dan tien
gevallen tot en met 2001 (vooral van november tot juni). |
|
|
|
|
 |
 |