In
broedtijd sterk aan naaldbossen gebonden. In winterhalfjaar groepsgewijs
in open landschappen, parken en tuinen, waar elzen- en berkenzaden
het belangrijkste voedsel vormen.
Kenmerken
Leeft
overwegend van zaden, die met lange, spitse snavel uit denneappels
worden getrokken. Zingt vanuit top van een spar of in een extatische,
vlinderachtige zangvlucht. Dichte groepen vliegen onrustig en onvast
terwijl ze knorrende geluidjes laten horen.
Trek
Standvogel.
In oktober-april verschijnen soms grote aantallen uit Noordoost-Europa.
Aantallen
Sterk
wisselende bestanden, afhankelijk van de goede vruchtjaren van sparren.