Roodborst Erithacus rubecula |
|
 |
|
| Geluid |
Helder, chaotisch en parelend als een glas champagne: zo zou je de zang
van de roodborst kunnen omschrijven. Je hoort geen melodie maar een aaneenschakeling
van luide, heldere fluittonen. Het lijkt wat op de zang van de Winterkoning,
maar de zang van de roodborst is helderder en mist de voor de Winterkoning
karakteristieke triller. Zijn alarmkreet is een luid, doordringend 'tik-tik'.
|
|
| Grootte |
lengte: 14 cm |
|
| Biotoop |
Broedt talrijk in gevarieerde, bosrijke streken, ook in tuinen
en parken. Tijdens de trektijd in allerlei vegetaties. |
|
| Voortplanting |
Het nest wordt door het wijfje alleen gebouwd van gras en
bladeren en ligt meestal verborgen in een holte, tussen klimop, op of vlak
bij de grond in de begroeiing of tussen wortels. Vaak vindt men een nest
in een oud schuurtje; een enkele keer in een oude pot of pan. Het broeden
begint in het zuidwesten eind maart, in het noorden in juni. Het legsel
bestaat meestal uit 5 à 6 eieren, die door het wijfje in 12 à
15 dagen worden uitgebroed. De jongen verlaten na circa 2 weken het nest.
Indien er snel een tweede legsel volgt, neemt het mannetje de verzorging
en het voeren van de eerste jongen voor zijn rekening. Een jonge roodborst
is gevlekt en lijkt op een jonge Nachtegaal; zijn staart is echter donkerder
en korter. |
|
| Territorium |
Met zijn aardige zang, die het gehele jaar behalve aan het
eind van de zomer tijdens de rui te horen is, geeft de roodborst het jaar
rond zijn territorium aan. Ze zijn nogal vechtlustig: tijdens territoriumgevechten
strijden de mannetjes soms op leven en dood. |
|
| Voedsel |
Vanwege zijn tamheid is het een geliefde vogel in dorps-
en stadstuinen, die 's winters voedertafels opzoekt en soms zelfs uit de
hand eet. Van nature is de roodborst een insecteneter; hij beweegt zich
het liefst op de grond om zijn kostje bijeen te scharrelen. |
|
| Gedrag |
Hoewel de roodborst als tam en vertrouwelijk wordt beschouwd,
leidt hij soms, met name tijdens de rui, een meer verborgen leven. Ver weg
van menselijke bewoning, in bossen en andere natuurgebieden, is het een
erg schuw dier dat een teruggetrokken bestaan leidt. |
|
| Kenmerken |
Herkenbaar aan oranjerode borst en gezicht, afgezet met grijs.
Bovendelen en staart bruin, onderdelen witachtig. Geslachten gelijk. |
|
| Trek |
Het gehele jaar door te zien. Noordoost-Europese roodborstjes
zijn trekvogels en overwinteren rond de Middellandse Zee. In Noordoost-Europa
trekken ze in september-november weg en keren in maart-april terug. |
|
| Aantallen |
Algemene broedvogel. |
|
|
|
|
 |
 |