Koperwiek Turdus iliacus |
|
|
|
|
|
|
| Grootte |
lengte: 21 cm |
|
| Biotoop |
Broedt in Scandinaviā in lager gelegen en struikachtiger
terrein dan kramsvogel, vooral in berken- en elzenbossen. Bij ons broedt
hij in bosrijke streken of op weilanden. |
|
| Voortplanting |
Het broedseizoen begint in het zuiden in mei, in het noorden in juli.
Het nest bevindt zich dikwijls op een boomtak vlak tegen de stam of in
een struik, maar soms ook in holten of op oneffen grond. Het door het
wijfje gebouwde nest is een stevige kom van droog gras, takjes en mos.
De eieren zijn glad, glanzend, en de lichtblauw of groenachtig blauw,
met roodbruine spikkeltjes. De broedduur bedraagt vijftien dagen, na twee
weken kunnen de jongen vliegen.
|
|
| Kenmerken |
De Koperwiek is gek van bessen van onder andere meidoorn, taxus, hulst
en van lijsterbessen. Hij lust ook ongewervelden zoals wormen, slakken
en spinnen. Hij is iets kleiner dan de Zanglijster en heeft lichte wenkbrauwstrepen
en rode vlekken in de oksels, die in de vlucht goed te zien zijn. Geslachten
zijn gelijk. Koperwieken duiken vaak van aanzienlijke hoogtes rechtstreeks
in de als gezamenlijke roestplaats dienende struiken. Hun zang varieert
sterk maar doordat individuen elkaar imiteren is meestal binnen een gebied
slechts één type zang te horen.
|
|
| Trek |
De Koperwiek is gevoelig voor lage temperaturen en trekt
bij koude naar een milder klimaat. Op heldere september of oktobernachten
hoort de aandachtige luisteraar soms bij tussenpozen een ijl, sissend klinkend
geluid boven zijn hoofd. Dit betekent dat we koperwieken overtrekken, die
roepen om met hun soortgenoten in contact te blijven. Vermoedelijk zijn
de vogels nog maar kort tevoren uit hun noordelijke broedgebieden vertrokken.
Sommige blijven bij ons overwinteren, andere trekken verder naar het zuiden.
De Koperwiek trekt hoofdzakelijk eind september-november en maart-begin
mei. Tijdens strenge winters trekken ze nog verder zuidwaarts. |
|
| Aantallen |
In Nederland en België alsook in de rest van Europa
is de Koperwiek een wijd verspreide wintergast. |
|
|
|
|
 |
 |