Broedt op steile rotskusten, bij voorkeur op brede, beschutte
richels; ook tussen rotsblokken of in holen. Ook op lagere rotsen en eilandjes
wanneer deze voldoende afgelegen zijn.
Kenmerken
Kenmerkende hoge, stompe, zijdelings afgeplatte snaveL met
witte strepen. In vlucht witte onderdekveren contrasterend met zwartachtige
slagpennen, snavel iets omhooggericht en poten in lange staart verborgen
(bij Zeekoet steken deze uit). Bovenzijde van de vogel altijd zwarter dan
Zeekoet. Lange spitse staart. Nogal zwijgzaam; zeer diep klinkende urr
in broedkolonie.
Trek
In winterhalfjaar (eind augustus tot april) te zien, vooral
vanaf januari.