Broedt op rotsrichels aan zee of in bomen aan meren of kusten, plaatselijk in rietvelden of op grond. Hoofdzakelijk kustvogel, maar ook vaak in binnenland.
Kenmerken
Grote, dondere watervogel met ietwat reptielachtig voorkomen. Staat vaak met gespreide vleugels. Zwemt met rechte hals en opwaarts gerichte kop; lichaam diep in water. Vliegt laag in wig- of lijnformaties. Duikt naar vis. Rust vaak in grote dichte groepen op zandbanken, rotsen, palen of in bomen. Maakt in broedkolonies gutturale en gakkende geluiden, elders zwijgzaam. Nest van zeewier, riet of twijgen; nestbomen sterven af door uitwerpselen.
Trek
Gehele jaar aanwezig.
Aantallen
Sinds de invoering van jachtverboden behoorlijk in aantal toegenomen en in de laatste jaren zijn nieuwe kolonies ontstaan. In Nederland in 1985 meer dan 10.000 broedparen.